Blaat 5 – Taal is als verf

Bèèè,

Iedereen spreekt taal. Of dat nou Chinees of Nederlands is, het is uiteindelijk hetzelfde. Taal is als een verf met oneindig veel tinten: grappige, eerlijke, gemene, neutrale, dappere, trieste en echte tinten. En de wereld is het doek, dat wij allemaal tegelijkertijd aan het beschilderen en inkleuren zijn. Zonder taal, zonder de verf, zou het doek, de wereld, onbeschilderd blijven en zouden we niet kunnen zijn. Als ik mezelf niet als ik kan schilderen, ben ik dan wel ik? Als ik het verschil tussen jij en ik niet kan benoemen, zijn wij er dan wel? Als er geen woord voor stoel was, is een stoel dan wel een stoel? Nee, volgens mij niet. Maar misschien vind jij van wel.

Over véél dingen zijn mensen het eens: een rots schilderen wij als een rots en water als water. Maar met héél veel dingen zijn we het oneens. En dan vooral de dingen die we niet meteen zien. Hoe leggen we de dood uit? Wat is menselijk en wat niet? De een gelooft dit, de ander vindt dat. Ik teken mijzelf zo en jij zo. Met taal kunnen we uiting geven aan hoe wij als individu én als groep de wereld zien. Op het doek schilderen wij dus ieder onze beleving en dat is prachtig en het allermooiste is dat alle belevingen waar zijn. Als je het niet eens bent met wat de buurman tekent, dan kan je dat vertellen en dan mag hij bepalen of hij die mening deelt. Toch zijn er mensen die alleen hun eigen ideeën als waarheid beschouwen. Ze proberen de tekeningen van andere aan te passen, door te vertellen dat er niet zo gekleurd mag worden. Ze verzinnen regels over wat je wel en niet mag en kunt tekenen. Sommigen gaan zelfs zo ver dat ze anderen de tekenpen ontnemen, hun tekeningen aanpassen of uitwissen. Iedereen wordt boos, want dit mag niet en dat mag niet. En als een kleuterklasje boze kinderen die de tekenles verpesten, begint iedereen op het schilderij te krassen. En zo verpesten ze niet alleen hun eigen tekeningen, maar ook die van anderen. Het schilderij is nu lelijk.

Taal is als verf. Het kan prachtig zijn, maar ook een kliederboel. Maar nog steeds liever dat, dan stilte en een leeg doek.

Ok. Genoeg filosofisch geblaat. Blaat uit. Doei.

Advertenties

Blaat 4: Nederlands als tweede taal – Een interview met Sébastien

Bèèè,

Nederlands is voor ons, de moedertaalsprekers, de taal waarmee we zijn opgegroeid, de taal waarin we denken, de taal waarin we vloeken. Nederlands is voor ons vanzelfsprekend; we hebben nooit moeite hoeven doen om Nederlands te leren, want dat gebeurde gewoon dankzij onze ouders. Maar hoe is het om Nederlands als tweede taal te leren? Hoe is die ervaring? Is het moeilijk? Dat ga ik voor mijn derde blaat onderzoeken. Hiervoor interview ik mijn Französischer freund Sébastien.

Tristan: Kan je ons vertellen hoe je in Nederland terecht bent gekomen?

Sébastien: Als Erasmus-student ben ik vanuit het warme Lyon in Frankrijk naar het koude, natte Utrecht verhuisd om mijn studie economie af te maken. Het oorspronkelijke plan was dat ik maar voor een jaar naar het buitenland ging en in de eerste instantie zou ik vanuit Lyon naar Londen gaan, maar op het laatste moment kon dat ineens niet meer. Toen had ik de optie om naar Utrecht in het onbekende Nederland te gaan en dat heb ik maar gedaan.

T:  Wat wist je van Nederland en het Nederlands voordat je hier naartoe verhuisde?

S: Heel weinig, ik kom uit het zuiden van Frankrijk en wij hebben heel weinig contact met en kennis van Nederland en de Nederlanders. De enige Nederlanders die ik tegen kwam waren de hordes toeristen die elk zomer de Ardèche kwamen koloniseren. Hoewel er dus wel veel Nederlanders waren, kwam ik niet echt met ze in contact.

Over Nederland wist ik trouwens alleen dat de tulpen er vandaan kwamen en dat er er beeldige, ouderwetse molens draaien. Ook had ik wel eens wat gehoord over hoeren en coffeeshops in Amsterdam. Ik wist echter niet welke taal men sprak in Nederland. Voordat ik hier kwam dacht ik namelijk dat men in Nederland Duits sprak.

T: Herinner je je eerste Nederlandse woorden?

S: Ik schaam mij er nu een beetje voor maar mijn eerste Nederlandse woorden waren ‘lekker kontje’. Tijdens een avondje stappen vertelde een Nederlander me dat ‘lekker kontje’ iets betekende als ‘hé, hoe gaat het?’. Ik ging vervolgens vol goede moed en enthousiasme tegen iedereen in de bar ‘lekker kontje’ roepen. Opvallend genoeg heb ik toen alleen maar leuke reacties gekregen!

T: Wanneer en waarom heb je de keuze gemaakt Nederlands te leren?

S: Ik was eerst niet van plan om in Nederland te blijven na mijn studiejaar. Ik kon ook met iedereen Engels praten en zag daarom de toegevoegde waarde van de Nederlandse taal niet . Ook omdat het Nederlands zo vreemd en moeilijk klonk, had ik niet zoveel zin om het te leren. Maar toen ik had besloten om in Nederland te blijven, heb ik heel langzaam en met enorm veel moeite Nederlands geleerd door bijvoorbeeld gratis kranten of Nederlandse ondertiteling op televisie te lezen. Maar ik ben er pas voor de volle honderd procent voor gegaan toen ik een relatie kreeg met een Nederlander. Uiteindelijk is mijn Nederlands daardoor enorm verbeterd.

T:Wat vind/vond je moeilijk aan het Nederlands?

S: De uitspraak van woorden is gewoon niet van deze aarde voor een Fransman. Eerst dacht ik dat Nederlanders allemaal aan een soort keelontsteking leden met dat ge-ggg de hele tijd. Ik dacht in het begin ook vaak dat iemand boos op mij was, maar het bleek dat ik die normale harde klanken verwarde met agressie.

T: Heb je een favoriet Nederlands woord?

S: Ik vind woorden als Oudegracht en Schiphol heel mooi omdat ze veel oefenen en finesse vereisen om ze goed te kunnen uitspreken. Ik werd zelfs een keer door een politieagent gecomplimenteerd om mijn uitspreken van het woord Schiphol…als buitenlander dan wel.

T: Iedereen die een vreemde taal leert maakt wel eens ongelooflijke blunders. Heb jij ooit zo’n blunder gemaakt?

S: Ja. Een aantal keer. Ik zat een keer, toen ik net dat punt had bereikt dat ik in het Nederlands durfde te bestellen, op een terrasje. Toen de ober kwam, vroeg ik om een koffie. Ik had correct besteld, want hij kwam even later inderdaad met koffie aan. Omdat ik mijn kauwgom wilde weggooien, vroeg ik aan de ober toen hij mijn koffie bracht: “waar is de afvalgebak?” De ober keek wel een beetje versuft, maar begreep dat ik het over de afvalbak had en niet over gebak van afval.

Ik heb ook een aantal keren gevraagd om vergast te worden in plaats van verrast, toen ik niet zo goed wist wat ik moest kiezen.

T: Héél hartelijk bedankt Sébastien voor dit gesprek. Ik hoor net dat mijn Fokschaap begint te blaten, dus dat betekent dat we moeten kappen. Nogmaals, hartelijk bedankt en blaat uit!

Blaat 3: Amerika, leenwoorden en invloeden

Bèèè,

Je zult wel denken: hé joh, weer een blog over leenwoorden. Cliché-hé…….. Nou en! Leenwoorden zijn interessant en dat hoeft helemaal niet zo cliché te zijn. Bij leenwoorden denkt iedereen namelijk automatisch aan het Engels, of Grieks of Latijn, misschien Frans. Maar deze blaat gaat niet over die talen. Neehee. Deze blaat gaat over het Nederlands. Andere talen hebben namelijk woorden geleend uit het Nederlands. Met namen termen uit de scheepvaart hebben een Nederlandse herkomst. Het Franse woord mâs komt van mast en het Engelse woord starboard komt van stuurboord. 

De grootste invloed van het Nederlands en de Nederlanders is echter in de Verenigde Staten te vinden en dat verhaal begon in 1626 met een koopje. Voor 60 gulden kochten de Nederlanders namelijk het eiland Manhattan van de indianen. Hier stichtten de Nederlanders een grote kolonie met de naam Nieuw-Nederland, die zich van New Hampshire tot aan de kust van Maryland uitstrekte. Op Manhattan stichtten de Nederlanders tevens de hoofdstad van de kolonie: Nieuw-Amsterdam. In de buurkolonie New-England groeide de bevolking veel sneller dan in Nieuw-Nederland. Tevens woonden er in Nieuw-Nederland niet alleen Nederlanders, maar ook Fransen, Engelsen, Duitsers en Walen. Toch was de lingua franca in het gebied het Nederlands en ook de indianen in Nieuw-Nederland leerden een vereenvoudigd-Nederlands om de handel met de kolonisten te vergemakkelijken.

De Nederlandse tijd in Amerika duurde echter niet lang, want in 1667 werd de Vrede van Breda gesloten, waarmee een einde kwam aan de Tweede Engelse-Nederlandse Oorlog en waarmee Nederland gedwongen werd Nieuw-Nederland aan de Engelsen af te staan. Nederland mocht de van Engeland veroverde kolonie Guiana (Suriname) echter als ‘ruil’ behouden. Nieuw-Nederland werd omgedoopt tot New York, maar het Nederlands werd er nog tot halverwege de 19e eeuw gesproken.

Nu spreekt men in New York echter geen Nederlands meer, maar er zijn nog veel plaatsen die doen herinneren aan de Nederlandse tijd:

Battery Island van een eiland waar vroeger een batterij kanonnen heeft gestaan

Bowery Lane van ‘Bouwerijlaan’

Bridge street van Brugstraat)

Broadway van Breede Weg

Brooklyn van Breukelen

Bushwick van Boswijk

Coney Island van Konijneneiland

Flushing van Vlissingen

Gravesend van Gravesende

Greenwich Village van Groenwijck

Harlem van Haarlem

Hempstead van Heemstede

Hoboken van Vernoemd naar gelijknamige wijk in Antwerpen.

Long Island van Lange Eylandt

New Utrecht van Nw.-Utrecht

Rhode Island van Rood Eiland

Stuyvesant, vernoemd naar Peter Stuyvesant

The Bronx, vernoemd naar Jonas Bronck

Na de overname van de Engelsen vertrokken veel Nederlanders richting het Noord-Westen, alwaar zij verschillende stadjes stichtten (zie foto’s Michigan). De voertaal in de stadjes was het Nederlands en er werd dus ook in het Nederlands onderwezen, maar voor het contact met de buitenwereld spraken de bewoners ook Engels. Op sommige scholen, zoals het Calvin College in Grand Rapids, werd tot de jaren zestig van de vorige eeuw Nederlands gegeven. Een zo’n stadje is Pella (zie foto’s), waarvan de meeste inwoners Nederlandse voorouders hebben. Ook de architectuur in Pella is typisch Nederlands.

Het Amerikaans-Hollandse stadje Pella, Iowa
Het Amerikaans-Hollandse stadje Pella, Iowa
220px-Hollandmichigan
Nederlandse plaatsnamen in Michigan

Al deze Nederlandse geschiedenis in Amerika hebben ookeen stempel gedrukt op het Amerikaans-Engels. In de loop van de tijd zijn er veel Nederlandse woorden in het Amerikaans opgenomen, zoals: cookie (koekje), spook (spook), stoop (stoep), sleigh (slee) en waffle (wafel). Ook het scheldwoord  ‘Yankee’ voor een Amerikaan is een Nederlands leenwoord. Yankee is namelijk afgeleid van Jan-Kees en werd door de de Engelsen gebruikt als scheldnaam voor de Nederlanders in de kolonie Nieuw-Nederland. Later duidt het begrip de inwoners van New York aan.

Andere leenwoorden van Nederlandse oorsprong die alleen in het Amerikaans-Engels voorkomen zijn:

  • Bluff – van “bluffen”
  • Boss – van “baas”
  • Brandy – van “brandewijn”
  • Bundle – van “bundel”
  • Buoy – van “boei”
  • Candy – van “kandij”
  • Coleslaw – van “koolsla”
  • Dollar – van “daalder”
  • Dyke – van “dijk”
  • Easel – van “ezel”
  • Etch – van “etsen”
  • Freight – van “vracht”
  • Furlough – van “verlof”
  • Gin – van “jenever”
  • Grab – van Middelnederlands “grabben”
  • Halibut – van “heilbot”
  • Haul – van “halen”
  • Hoist – van “hijsen”
  • Knapsack – van “knapzak”
  • Landscape – van “landschap”
  • Lantern pole – van “lantaarnpaal”
  • Maelstrom – van “maalstroom”
  • Pit (van een vrucht) – van “pit” (in Engeland heet het een “stone”)
  • Polder – van “polder”
  • Pump – van “pomp”
  • Roster – van “rooster”
  • Sloop – van “sloep”
  • Snoop – van “snoepen”

Zo zie je maar dat een leenwoord niet per se Engels hoeft te zijn, want Nederlandse leenwoorden bestaan dus ook. Volgens sommigen worden wij tegenwoordig overspoeld met Amerikaanse taal en cultuur en dat noemt men dan ‘taalverloedering’, maar ooit was het andersom. Dat je het weet! Ok? Doei. Blaat uit.

Blaat 2: De tijd van Arnie de befkanarie en Anita Miss Piggy

Bèèè,

Toen ik een puber was had ik al warme herinneringen aan mijn ‘kindertijd’, die wanneer ik ze uitte, meteen werden afgekeurd door de volwassenen van toen. “Wat was er nou zo leuk aan de jaren negentig? Nee, de jaren tachtig, dat was pas een geweldige tijd!,” was hun argument. Nu ík echter volwassen ben, kan ik het feit, jawel het feit, verkondigen dat de jaren negentig een geweldige tijd was, een tijd van knikkers, Pokémonkaarten, Flippo’s, supersoakers, Vengaboys én taal. In de jaren negentig verschenen er door allerlei gebeurtenissen namelijk nieuwe, leuke woorden in het Nederlands.

De verseksualisering van de maatschappij leidde ertoe dat er in de jaren negentig nogal veel nieuwe seksuele woorden ontstonden. “Hé, zullen we ketsen/ruggetuffen/bijtanken/niknikken in mijn Fiat Punto 55 SX?”, vroeg hopelijk niemand aan zijn of haar wederhelft wanneer er ‘geneukt’ wenste te worden. Toch zijn dit voorbeelden van seksuele woorden die in de jaren negentig ontstonden. Ook ging de vulgaire man in de jaren negentig met plasproblemen niet naar de uroloog, maar naar de lullensmid. Een jongen die in de disco alsmaar achter vrouwen aan zat, noemde men toen een befkanarie.

Typerend aan de jaren negentig was ook het gebruik van namen voor het benamen van bepaalde groepen. Een paar van deze benamingen kwam rechtstreeks uit de media, terwijl anderen uit de maatschappij kwamen. Zo bracht Goeden Tijden ons de Arnie: een irritante, bekakte jongen en werden ordinaire jongens en meisjes Sjonnie’s en Anita’s genoemd – iets dat trouwens vandaag de dag nog steeds gebruikt wordt. Ook hebben Bassie en Adriaan onze taal in de jaren negentig verrijkt: een handige Harry is iemand die handig is, al was de Bassie-en-Adriaanschurk met dezelfde naam dat niet zo. Niet alleen gespeelde personages werden gebruikt als benaming, ook ‘neppersonages’ leenden zich hier uitstekend voor. Ze draagt een roze bermuda?! Wat een Miss Piggy, heeft iemand in de jaren negentig vast wel eens gedacht over dat ietwat te dikke meisje.

De jaren negentig kende tevens een trend waarbij woorden eventueel werden afgekort, waarna er een ‘o’ achter werd geplakt. Sarcastisch noemde men een onhandig, dom persoon een slimbo, terwijl dezelfde persoon zonder sarcasme een dombo of een klojo zou worden genoemd. Die oude man bij de speeltuin noemden we een pedo, die tante met een goede vriendin een lesbo en die oom die aan het eind van de avond grappig deed een alco. Ook kregen onze landgenoten liefdevolle bijnamen die eindigen op ‘o’: Brabant kent de Brabo’s, Limbabwe de Limbo’s en de schilderswijk te Den Haag de aso’s. Maar voor bijna alles was er wel zo’n o-afkorting, zoals: mayo, fatso , limo, mocro, etc.

De jaren negentig heeft ons dus veel gebracht. Als deze fantastische woorden niet het bewijs vormen dat de jaren negentig feitelijk, ja feitelijk, fantastisch waren, dan weet ik het ook niet meer. In ieder geval ben ik wel klaar met dit nostalgisch geblaat. Daarom: blaat uit en ok doei.

Klojo’s!!

Blaat 1: Taalergernissen /-genotjes

Bèèè,

Voor mijn eerste blaat wil ik het hebben over taalergernissen. Je zult wel denken: Jezus, wat cliché. En dan heb je gelijk, want je ergeren aan taal ís ongelooflijk cliché. Er zijn namelijk zoveel ‘taalexperts’ die zich mateloos ergeren aan van alles en nog wat, dat het ronduit saai begint te worden. ‘Taalexperts’ zijn van die mensen die zeggen dat ze ‘iets’ met taal hebben en daar vervolgens aan toevoegen dat ze namelijk elke dag de krant lezen en daarin toch wel zó veel fouten aantreffen om vervolgens de cliché voorbeelden ‘groter als’ en ‘irriteren aan’ aan te dragen. Tegen die mensen heb ik één ding te zeggen: “leuk voor je, maar houd gewoon je mond.”

Maaaaar, om niet mee te gaan in die vicieuze cirkel aan negativiteit wil ik nu eens iets anders proberen: hierbij introduceer ik taalgenotjes. Een taalgenotje is een leuk of grappig woord dat niet per se correct hoeft te zijn. Het is eigenlijk gewoon iets leuks dat met taal te maken heeft.

Mijn taalgenotjes:

Robuust. Zo kwam ik in een Franse tekst ooit het woord ‘robuste’ tegen. In het Nederlands kennen we het woord ‘robuust’ ook wel, maar dat wordt eigenlijk niet zo vaak gebruikt en dat moet veranderen, want spreek het is uit. Robuust, robuust, robuust, robuust. Het klinkt lekker en als woorden een smaak hadden, dan zou robuust smaken naar steak in rodewijnsaus. Robuust. Prachtig woord.

De samenstelling. Wat ik aan het Nederlands zo mooi vind is de samenstelling. Het is natuurlijk al leuk genoeg dat zoveel mensen hiermee de fout ingaan, zoals konijnen bouten in pruimensaus, een cursus naakt model tekenen of een blinde geleidehond. Ik vind niet alleen de fouten leuk, óók de samenstelling zelf is leuk. Met de samenstelling kun je namelijk een oneindigheid aan woorden creëren die eigenlijk niet bestaan, maar die men wel zou kunnen snappen. Frambozendrama, berentoilet, tenencomputer, constipatieklus, taalgenotje, zijn woorden die niet bestaan, maar waarvan je wel begrijpt wat het zou kunnen zijn. Wie weet? Misschien delen de beren en de mens wel een toekomst waarin beren een eigen toilet hebben en de mens een computer in de tenen. Het is zeer onwaarschijnlijk, maar met de samenstelling is alles mogelijk.

Leuk. Ik vind het woord “leuk” leuk, omdat het zo nietszeggend doch multi-inzetbaar is. “Hoe was je weekend?” “Wat vond je van de film?” “Hoe was het bij je moeder?” “Wat vind je van mijn nieuwe broek?” en wat is op al deze vragen het antwoord? “Leuk”. Met leuk kun je zó veel omschrijven en dat is verdomde handig, vooral wanneer je eigenlijk niet zo’n zin hebt in een gesprek. Niemand gaat je namelijk vragen waarom je het leuk vond, omdat je dan antwoordt dat je het gewoon leuk vond. Met “mooi” gaat dat niet: “Hoe was het bij je moeder?” “Ja, mooi”. “Hoezo, is ze dood? Was de begrafenis mooi?” “Nee, het was gewoon mooi bij mijn moeder oké!!” Door met “leuk” te antwoorden zou je dit probleem nooit hebben.“Leuk” is ook het ultieme antwoord op een verhaal dat iemand met je deelt, zonder dat diegene doorkrijgt dat het je allemaal geen bal kan interesseren. En “Leuk” is ook het woord van Facebook. Ik vind het leuk als ik zie dat mensen hun rijbewijs hebben gehaald, maar ook vind ik statusupdates leuk van mensen met een kutdag. In dit laatste geval is mijn “vind ik leuk” eigenlijk gewoon een verkapte “lekker voor je”. Kortom, “leuk” is leuk, omdat het leuk en handig is.

Goed, tot dusver mijn taalgenotjes. Ik heb namelijk wel genoeg geblaat. Als je nog wat taalgenotjes hebt, kun je dat als commentaar vermelden. Ik ben benieuwd. Ok doei.

Robuust!!